De eerste tango van… Bettie Bolks

De eerste tangopasjes van Bettie Bolks, van Tangodansschool La Escuela. We gaan terug naar 1987...

Ik zag voor het eerst Argen­tijnse tango in El Exilio de Gardel*, een Frans­-Argen­tijnse co­productie die in 1985 in Groningen draaide. Dat was een politieke film, over Argentijnen in Parijs, die alsmaar naar huis belden hoe het was en die ondertussen ook, tegen wil en dank, een bestaan moesten opbouwen in Parijs. En daar hoorde die tango bij, er werd in de film gedanst: langs de Seine, herinner ik mij nog vaag. Ik vond het fantastisch! Zó mooi! Toen ik die film zag, dacht ik ‘ooooh, dát is geweldig, om zó te kunnen dansen met iemand!’.

Bij mijn weten was er in die tijd nog geen tango in Groningen. Kort daarna, in ’86 geloof ik, kwam Mirta met haar toenmalige man en later, na haar scheiding, met Lalo. Mirta is Argentijnse, Lalo is volgens mij een Chileen. Ze gaven tangoles in Bringamosa, de Antilliaanse societeit tegenover het Platform­ theater. Er kwam ook altijd een hele sloot familie uit Amsterdam mee. Ik had met Tjarco Boelkens (1) afgesproken dat, áls er in Groningen een cursus tango gegeven zou worden, wij samen zouden gaan dansen. Maar dat liep anders. Hij deed die eerste cursus met Vivian, en ik ben een cursus later met iemand anders ingestapt.
Vreemd genoeg danste ik mijn eerste tango op een parkeerplek even buiten Amsterdam. Dat moet in het voorjaar van 1987 zijn geweest. In Paradiso was toen een groot tangofeest georganiseerd. Tjarco, Vivian, Ewald Chocolaad (2) en ik zouden daar naar toe. Vivian en Tjarco dansten inmiddels al tango, maar Ewald en ik wisten van die hele tango nog niks. Dus wat deden we? Op een parkeer­plek in de buurt van Amsterdam zijn we gestopt en daar hebben Tjarco en Vivian ons de basispas geleerd: die acht passen. Zodat we in Paradiso in ieder geval konden dansen en niet de hele avond op een stoel zouden zitten.

Die avond waren er drie optredens. Van de eerste twee was ik niet zwaar onder de indruk. Maar het derde optreden was van Martine Berghuis en Wouter Brave, zó mooi! Vooral Martine! Die had een hele mysterieuze uitstraling in het dansen met hem. Ik kan mij niet meer herinneren wat ze gedanst hebben en of dat technisch okee was naar de huidige maatstaven. Ik weet alleen dat het een broeierige sfeer was, die mij mateloos intrigeerde. Hoe ze samen bewogen, die sensuele broeierigheid van Martine met name. Ze dansten niet eens op een toneel, maar gewoon op de dansvloer. En iedereen zat op een stoel en keek er naar. Dat gaf mij een magisch gevoel.

Ik was toen in eerste instantie gericht op het dansen, de muziek vond ik een noodzakelijk kwaad. Toen dacht ik ‘Hoe kan dat nou? Zo mooi dansen op van die oude, krakerige muziek?’. Maar goed, dat scheen er bij te horen. Het heeft echt jaren geduurd voordat ik de muziek leuk vond. Het is allemaal goed gekomen, uiteindelijk.

In die tijd was ik nog steeds aan het zoeken, zoals wel meer mensen die niet dadelijk na de middelbare school weten wat ze eigenlijk willen. Mijn leraren op de lagere en middel­bare school zeiden altijd over mij: “Bettie moet het onderwijs in”. ‘Dan moet ik misschien naar de kleuterkweek gaan’ dacht ik. Dat heb ik gedaan, anderhalf jaar. Ik woonde toen al in Groningen en had verkering met een kunstenaar. Dat was een wilde tijd, met veel feesten, seks, drugs en Rock&Roll.

De theorie van de opleiding ging prima. Alleen liep ik tegen de lamp toen ik het tweede jaar in de Oosterparkbuurt terecht kwam. Of tegen de lamp... Toen bleek dat ik helemaal geen overwicht op die kinderen had, helemáál niet! Ik zei tijdens een gymnastiek-les: “Draaien jullie allemaal met jullie gezichten naar de muur!”. Iedereen rende naar de muur en plakte z’n gezicht tegen de muur aan. En daar stond ik! Het waren allemaal van die lastige kinderen, uit moeilijke gezinnen. Ik was voorheen Bedum gewend, en Haren, ik had hele gezeggelijke kindertjes gehad. En nu moest ik ineens dealen met rare, onop­gevoede mormels! Ik dacht ‘dit wil ik niet!’. Dus toen ben ik met de opleiding gestopt. Daarna heb ik nog een tijd model gestaan op Minerva en in kroegen gewerkt, voordat ik bij een modellenburo terecht kwam, Take Five. Daar heb ik een aantal jaren gewerkt: mode­shows in elkaar zetten, mannequins opleiden en dressmen, nieuwe aanwas scouten, connecties leggen in België en Londen en Duitsland. Als kind wilde ik het liefst iets doen met dans of toneel. Eigenlijk danste ik altijd. En ik zat bij het Spelcentrum, waar ik toneel speelde. Jopito was de directeur van het Spelcentrum: Joop Leertouwer, die later ook tangoles is gaan geven.

Ik heb nog geprobeerd om op een toneel­school te komen. Ik zat in Groningen in een toneelgroepje, Punaise geheten, en dacht, ondanks dat ik ‘al zo oud was’ – ik was 28 ofzo – ‘ik ga het proberen’. Maar ze wilden mij niet. Ja, en dat was een flinke knauw in mijn ego. Ik durfde het ook niet nog een keertje elders te proberen, helaas. Toen ben ik maar een internationale directie-secretaresse­opleiding gaan doen, een dagopleiding. Daar ken ik DJ Joop van, hij was mijn leraar Duits.
In de tijd van het modellenburo begon ik zowel met flamenco, als met tango, als met salsa. Allemaal zo tussen mijn 28ste en 32ste, in een tijdsbestek van één, twee jaar. Flamenco als eerste. Je zou kunnen zeggen: flamenco is dansen op universiteitsniveau voor wat je aan ritmes te verwerken krijgt in je hersenen, en dat moet je dan omzetten met je voeten. Dus een soort percussie met je voeten. Als vrouw moet je dat dan ook nog mooi maken: én met je rokken én met je castagnetten én met je armen. Het waren de meest onmogelijke ritmes die we moesten spelen, en alles choreografie. Dus dat was echt een uitdaging! Eigenlijk had ik bij flamenco de meeste passie. Daarna vond ik tango niet zo moeilijk, en salsa vond ik kleuterschoolwerk qua moeilijkheidsgraad.
Toen ik hoorde dat er een salsadocenten­ opleiding zou komen dacht ik meteen ‘die wil ik doen’. Ik was eind twintig en zag het niet gebeuren dat ik een opleiding zou doen die langer duurde. Dus wilde ik een snelle opleiding, zodat ik in ieder geval een papiertje ergens van had. Dat werd die internationale directie-secretaresse­opleiding. Maar ik wilde eigenlijk helemaal niet gaan werken als directiesecretaresse internationaal, niet! Never! Wel als salsa-docent. Voor de salsa-docent­ opleiding moest ik alleen eerst nog wel een beginnerscursus doen.

Ik heb daarna salsales gegeven in Groningen en in Leeuwarden, op de school van Ewald Chocolaad én vijf jaar bij de USVA. In die vijf jaar werd de tango steeds belangrijker voor mij. Ik had mij inmiddels aangemeld bij de belasting als kleine zelfstandige. Ja, en uit­eindelijk vond ik de tango toch interessanter dan de salsa, als dans. Van de opleiding tot salsadocent heb ik in de tango overigens erg veel plezier gehad. Ik had geleerd hoe je een les opbouwt, hoe je les geeft, wat je doet met een grote groep, hoe je het doet met een kleine groep en wat je doet met lastige mensen, hoe je daar mee omgaat.

Ik kreeg tangoles van Lalo en Mirta, die één keer per maand naar Groningen kwamen. In de eerste les kreeg je de voorwaartse ocho, de achterwaartse ocho, giro’s, weet ik veel! In één les kreeg je honderd-en-tien figuren, je werd helemaal volgeblazen met nieuwe figuren!

De figuren werden daarna uitgewerkt door Iván (3) en Nellie, elke maandagavond. Zij werkten de figuren in drie weken uit, en dan kwamen Lalo en Mirta een maand later weer. Het waren één of twee groepjes van acht paren. Dat was toen de hele tangoscene van Groningen.

Het was natuurlijk vooral spannend als de maestro’s, de Argentijnen, kwamen. Maar dan danste ik met Lalo, zo van ‘check mij even, doe ik het goed?’ en dan vroeg ik: “Doe ik het goed?”. “Nee” zei hij dan, en daar kon ik het mee doen. Er werd ook niks over houding verteld. En verder waren er nauwelijks voor­beelden. Bovendien was het heel ongebrui­kelijk om naar een andere stad te gaan, dat deed niemand in die tijd. Dus de Amster­dammers bleven in Amsterdam, mensen uit Nijmegen in Nijmegen, en de Groningers zaten in Groningen, er was hoegenaamd geen verkeer. Pas rond ’93, ‘94 begon er iets op gang te komen.

In die tijd dansten we open, er was helemaal geen lichaamscontact. We leerden dat je je ogen gericht moest houden op zijn keelgat, of op zijn bovenste knoopje. Zo heb ik dat nog geleerd: kijken naar dat bovenste knoopje, daar moest je je helemaal op richten en daar moest je alsmaar vóór blijven. Je moest bij dat bovenste knoopje blijven met je aandacht.

O, en waar we heel graag op dansten: op Oblivion, van Piazzolla! Nou, er is geen hond in Argentinië die daar op danst!

In 1992 begon ik met tangolesgeven, in het voorjaar, aan Theater te Water. Die voorstelling heette ‘Tango van het Noorden’: een theater­ voorstelling waarin tango gedanst werd. Met mijn toenmalige partner, Dennis Koedijk, hebben we die mensen een tangootje leren dansen in tien weken. Zodat ze in ieder geval iets konden laten zien op het toneel. Het was natuurlijk heel summier, zeker wat ze in die korte tijd konden leren.

Ik had toen al wat leservaring, met salsa, en Dennis gaf boekhoudcursussen of zoiets, dus voor hem was het ook niet ongebruikelijk om voor een groep te staan. Daarna zijn we in het najaar van ‘92 zelf een tangocursus gaan aanbieden, in Ocho de Mayo. Wij waren het tweede tangopaar dat ruimte huurde in Ocho de Mayo: Jopito was eerder dat jaar ook begonnen. En verder gaf Iván tangoles, maar die zat in Het Binnenhof, een café­restaurant in de Oosterstraat. In ‘93 kwamen Rob en Inez, uit Amsterdam. We hebben nog bij Rob en Inez in de les gezeten. Want ik vond het heel prettig om elke week een goede vrouw te zien – en dat was Inez voor mij – zodat er een beetje continuïteit in zat en ik mij sneller kon ontwikkelen. En, heel belangrijk: ik wilde niet beunhazen! Ik wilde gewoon zo snel mogelijk een goede kwaliteit van lesgeven! Ik zei tegen mijn partner dat ik wel graag les wilde hebben in het lesgeven van Rob en Inez, en Inez zei: “Ja, dat kan”.

Maar we hebben maar één cursus bij Rob en Inez gedaan, in hoe je moet lesgeven. In ’94 ben ik naar Eric Jørissen gegaan, in Nijmegen. Daar ben ik heel veel geweest. Hij was goed, ís nog steeds goed: een creatieve jongen, die over de hele wereld les geeft. In ’97 ging ik voor het eerst naar Argentinië. Toen gaf ik trouwens nog geen milonguero­stijl, ik gaf gewoon nog tango de salon. Wat ik toen deed was wat eigenlijk iedereen deed.

Nou, zo dus: mijn eerste tango was in het voorjaar van ’87, op een parkeerplaats in de buurt van Amsterdam. En dat weet ik nog goed!”

Groningen, oktober 2016 Interview: Renneke

1 Tjarco Boelkens was destijds één van de oprichters van de STAG.
2 Ewald Chocolaad was de man die de salsa naar Nederland gebracht heeft. Hij had de eerste salsadansschool van Nederland: in Groningen, en hij leidde salsadocenten op.
3 Iván Torres Concha van Iván & Petra van De Argentijnse Tangoclub.